Gastartikel: ‘De nationalisten komen weer!’

Dinsdag 9 februari bezocht Europarlementariër Wim van de Camp JOVD Rijnmond. Daar sprak hij over nationalisme. Hoewel hij de goede kanten van nationale gevoelens aanstipte, legde hij toch vooral de nadruk op de gevaren die nationalisme met zich mee zou brengen. Nu is het tijd om de balans op te maken – welke rol kan nationalisme spelen in de globaliserende wereld van vandaag? En, wellicht een nog belangrijkere kwestie: ligt er onder deze hang naar nationalisme niet een dieper onbehagen – namelijk een gemis aan identiteit, culturele bagage en soevereiniteit, die door de ‘vrijgevochten’ ’68-generatie zijn uitgehold?

Waarom beducht voor nationalisme?

Laten we beginnen met de achtergrond van de zorgen die Wim van de Camp benoemde. Die zorgen zijn tekenend voor zijn generatie, gegeven de historie van de Eerste en Tweede Wereldoorlog. Begin twintigste eeuw raakte Frankrijk bevangen door het élan vital. Deze doctrine betekent kortweg dat ieder levend wezen, en uiteindelijk ieder volk, beschikt over een bron aan levenskracht. Zolang deze energie aanwezig is brengt het volk nieuwe generaties voort. Het élan vital werd destijds heel letterlijk en biologisch uitgelegd. Dit leidde tot een ondoordacht nationalisme waarbij uiteindelijk honderdduizenden jonge vaderlandslievende Europeanen in loopgraven omkwamen.

In de Romeinse tijd waren de Europese volkeren woest en ruw. Eindens de Middeleeuwen wierpen zij de molensteen van religieus opgelegde domhouding van zich af. De Franse en Industriële revoluties braken aan: Europa drukte zijn ziel op de geschiedenis via schilderkunst, wetenschap en wereldwijde handelsmaatschappijen. Napoleon kon hele generaties opofferen; de Britten bouwden een globaal imperium en Duitsers fantaseerden over een Duizendjarig Rijk. Dit kon allemaal doordat men dorstig uit de bron dronk van de Europese levenskracht. Maar men ging kwistig om met deze bron – Europa putte zichzelf uit met innerlijke strijd en nieuwe wereldmachten verrezen. Inmiddels staan we in hun schaduw. De Europese volkeren hebben vandaag nog een klein restant levenskracht waarmee ze bewust en strategisch moeten omgaan.

Mijn boek Avondland en Identiteit (Aspekt 2015) werkt deze kwestie uit. Ik kwam tot de conclusie dat de Nederlandse identiteit nogal wankel is. Nederlanders zijn een zeer kosmopolitisch volk – internationaal worden wij gewaardeerd om onze open houding. Nederlanders zijn niet nationalistisch of chauvinistisch, nee – wij zijn wereldburgers. Misschien is het aan dit post-nationalistische zelfbeeld te danken dat we graag een bemiddelende rol spelen in internationale politiek – zie bijvoorbeeld het Strafhof in Den Haag en onze bijdragen aan de missies in Afghanistan en Irak. Internationaal vervullen Nederlanders graag een voortrekkersrol, maar hoe is het met dit kosmopolitisme gesteld binnen de Nederlandse politiek?

Groeiende tegenstelling

Elsevier-journalist Syp Wynia onderstreepte met statistieken een groeiende kloof in Nederland. Hoogopgeleiden en opwaarts-mobielen stromen samen in grote steden: politiek zijn zij cultureel-kosmopolitisch georiënteerd. De ‘verliezers van de globalisering’ zijn traditioneler ingesteld en blijven achter in provinciën. Voor hen is de soevereiniteit van de natiestaat belangrijk, maar zij zijn qua Kamerzetels zwaar ondervertegenwoordigd omdat de meeste Kamerleden uit de Randstad komen. Zodoende worden “asielzoekerscentra nu juist onevenredig vaak aan de randen van het land neergezet.”1 In Otterlo was er een referendum over: 1445 mensen stemden tégen de komst van een asielzoekerscentrum, 20 stemden voor. Alsnog ging het plan niet van tafel. Vervolgens wordt het aan ‘populistische partijen’ toegerekend dat mensen de politiek niet serieus meer nemen. In de jaren zestig wilde links de mensen mondig maken: nu zijn ze mondig en heet het ‘populisme’. ‘Zin in nationalisme’ komt niet zomaar uit de lucht vallen. Om dit te kunnen doorgronden moeten we de psychologische achtergrond optekenen; daarvoor neem ik de metafoor van een vliegticket.

Politieke voorkeur is inderdaad samen te vatten in een vliegticket. Stel je schenkt een ticket naar een willekeurig land op aarde: de eindbestemming is een verrassing. Een D66-stemmer zal zeggen: “Leuk! Ik ga graag op avontuur; als ik me aanpas en mijn beste beentje voorzet ontmoet ik wel mensen waarmee het klikt.” Een PVV-stemmer zegt eerder: “Wat nu als ik in een land kom waar ik wordt geminacht omdat ik westers ben? Of dat ik verdwaal en de weg niet ken… Hoe weet ik nu dat anderen mijn afhankelijkheid niet zullen misbruiken?”

Dit keert terug in het dagelijks leven: D66 oriënteert zich op een post-adolescentiecultuur, met waarden als risico en avontuur. De PVV-kiezer komt moe uit het werk en wil rust aan zijn hoofd: huiselijkheid, betrouwbaarheid en zekerheid. De {PVV’er brengt zijn kinderen naar de buren als hij boodschappen gaat doen – hij heeft sterke sociale banden nodig; hij moet zijn buren goed kunnen verstaan. Een D66’er kan zich een Thaise nanny veroorloven en vindt het multiculturalisme een fraai, pittoresk gegeven. Hun politieke voorkeur is een voortzetting van hun karakter, dus als je hun politieke standpunten bekritiseert ervaren ze dat alsof je hun persoonlijkheid bekritiseert.

Zo raakt Europa verdeeld tussen twee tegengestelde assen: een kosmopolitisch versus een traditioneel denk- en leefpatroon. D66, GroenLinks en Pvda hebben meer met de eerste as gemeen, PVV, SGP en SP meer met de tweede. Dit is een metafysische omwenteling omdat het politiek landschap een nieuw hoofdthema krijgt, namelijk identiteit, waar dat vroeger economie was met een socialistische en liberale as. Ter illustratie: in België onthulde de burgemeester van Antwerpen dat zes op de tien ouders in zijn stad thuis geen Nederlands spreken met hun kinderen.2 Het spreken van verschillende talen bemoeilijkt het bereiken van een gezamenlijk democratisch compromis.

Nu sociaal-economische onderwerpen steeds complexer worden – zowel voor politici als voor mediarapportages – zullen politieke hoofdthema’s vaker cultureel van aard zijn. Fiscale politiek betreft instituten als IMF en ECB – dit is nauwelijks terug te brengen tot hapklare brokken. Thema’s als Zwarte Piet en de bouw van moskeeën raken de mensen daarentegen direct in hun belevingswereld. Het is daarom tijd ons af te vragen waar we als Nederlanders voor staan. Verstaan we onder “kosmopolitisme” dat we de hele wereld omhelzen? Dus van Hollywood-entertainment en de platvloerse poep- en plasgrappen van Gordon tot de islam? Of zijn we selectief en maken we keuzes? Traceren we ons erfgoed tot de beschaving van de Oude Grieken en Romeinen, Germaanse tradities, Renaissancecultuur en Verlichtingsfilosofie? We moeten ons de vraag stellen: wat is ons vaderland meer dan met zijn allen bier zuipen – bij het voetbal van oranje rond de buis, op Koningsdag in de kroeg?

De stroom der gebeurtenissen – van de oorlog in Oost-Europa tot het integratievraagstuk; van de vluchtelingenstroom tot het uiteenvallen van de Europese Unie – dit alles dwingt de jongere generaties om zich te herbronnen op de morele inhoud van het staatsburgerschap. Van de massa-aanrandingen in Keulen3 tot het Project X in Haren: wij zien een vervaging van grenzen, een verwatering van waarden en normen. Mogelijk is een bekering tot de islam voor jongeren zelfs aantrekkelijker dan deze morele chaos, omdat de islam tenminste duidelijke richtlijnen voorschrijft. Dit biedt uitkomst aan jongeren die anders slechts in een leegte staren.

Materialisme is geen antwoord

Het ontbreekt aan intellectuele bagage, aan een spiritueel anker en morele houvast – het nationalisme moeten we zien als poging om die leemte in te vullen. De Pechtolds en Samsoms van deze wereld proberen dit op te lossen met verhalen over economische voorspoed en banen, maar dat lost niets op.

Ten eerste omdat die banen er gewoon niet komen. De 3D-printer vervangt bijvoorbeeld export. Nu levert de automatisering banen op in termen van software-schrijven en machineonderhoud, maar kost netto natuurlijk arbeidsplaatsen. De vergrijzing levert minder werk op dan gedacht, want de kanteling van het sociaal domein betekent dat steeds meer neerkomt op onbetaalde mantelzorgers. Daarbij is er nog de ‘maatschappelijke tegenprestatie’ – het schoonhouden van stations verdringt bijvoorbeeld schoonmaakwerk. Ten slotte leiden de open Europese grenzen tot import van goedkopere arbeid uit streken als Polen en Roemenië. Om nog te zwijgen over de ‘massa-immigratie’ uit Afrika en het Midden-Oosten.

Ten tweede is dit materialistische antwoord niet bevredigend omdat dit pogingen zijn een economische respons te geven op een ethisch probleem. In de islam betalen christenen en Joden bijvoorbeeld jizah (letterlijk: beschermgeld) aan de moslimmachthebbers.Toen de moslims in de twintigste eeuw in Europa aanlandden ontvingen ze uitkeringen en kinderbijslag van de staat, velen hoefden hierdoor niet te werken. Ze hadden hun inkomsten kunnen verhogen door te gaan werken, maar in de ogen van velen verhoogde het juist hun status dat anderen voor hen werkten en hen onderhielden. Hier helpt banen scheppen niet omdat de oorzaak van het probleem niet economisch is maar spiritueel en cultureel. En dit is nog maar het begin: het land Nigeria zal volgens prognoses in 2050 een bevolkingsomvang hebben van 440 miljoen.4 Dat is groter dan de Verenigde Staten. Het land blijft instabiel, en dus zoeken deze mensen massaal een toekomst in het vergrijzende Europa.

Conclusie

Het nadeel is dat deze crisis waar wij nu voorstaan niet enkel economisch is, maar tegelijk ook demografisch, cultureel en existentieel. Het voordeel is: Nederland staat hierbij niet alleen – het is een Europese crisis. De vraag is nu of Europa behoefte heeft aan een doordacht, gefundeerd nationalisme. Dus niet het irrationalisme van de Eerste Wereldoorlog – maar wél een besef van weerbaarheid ten aanzien van Europese waarden en cultuurgoed. Ter afsluiting een christelijke deugd: ik denk ‘ja’ en dit stemt hoopvol.

1 Syp Wynia, ‘Hoe de grote steden aan hun vrouwenoverschot komen’, Elsevier (24/7/2015).

2 “Uit de gemeentelijke kindrapporten van Kind en Gezin blijkt dat vier op de tien moeders die in 2014 bevielen in Antwerpen Nederlands spreken met hun baby. Zes op de tien doet dat dus inderdaad niet, en burgemeester De Wever had dus gelijk in Terzake. In Genk spreekt 55,3 procent Nederlands met zijn baby en in Gent 58,3 procent.” Zie: http://newsmonkey.be/article/54188

3 Voor nadere reflectie op dit voorval, zie: Keulen: kalifaat light en de fallout van een conflict (Aspekt 2016).

4 United Nations, Department of Economic and Social Affairs, World Populations Prospects: 2012 revision, 2013.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *