John Stuart Mill over het vrije woord in een open samenleving [Longread]

Discriminatie en aanzetten tot haat

De afgelopen weken is er veel aandacht besteed aan het proces rondom Geert Wilders. Het Openbaar Ministerie heeft een boete geëist van 5000 euro voor de ‘minder minder minder’ uitlating en stelt hierbij dat Wilders zich schuldig heeft gemaakt aan het beledigen van een groep en het aanzetten tot haat1. ‘’Hij heeft bewust een groep mensen op basis van hun afkomst in de hoek gezet en discriminatie van die groep aangewakkerd’’ aldus het OM.

Geert Wilders daarentegen vindt dat hij helemaal niet aanzet tot haat maar juist de problemen in Nederland aankaart. Volgens de PVV-leider hoort deze discussie niet in de rechtbank thuis, maar in de Tweede Kamer. ‘’Het is een politiek proces, niet een strafrechtelijk’’ stelde Wilders. ‘’Het spreken over een van de grootste problemen van ons land – het Marokkanenprobleem – is vanaf nu volgens de elite dus strafbaar. Ook al zijn miljoenen mensen het ermee eens.’’ Even later waarschuwt Geert Wilders dat de fundamenten van de vrije samenleving op deze manier worden aangetast door dit proces. “De vrijheid van meningsuiting staat op het spel”.

De rechters hebben uiteindelijk geoordeeld dat Geert Wilders schuldig is aan groepsbelediging en het aanzetten tot discriminatie. De uitspraken die hij deed waren geen onderdeel van een politiek debat, of een toevoeging aan het publieke debat. Zoals Theo Hiddema bij RTL Late Night al aangaf is dit een onterechte constatering. Na de uitspraken was er juist heel veel debat en vormde het een aanleiding tot een nationale discussie over de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid die een politicus heeft om te zeggen wat hij of zij wil.

Beledigen

Wat is die vrijheid van meningsuiting en wat zijn de grenzen aan die vrijheid? Wanneer wij ons focussen op het wetboek wordt de vrijheid van meningsuiting zo geformuleerd in artikel 7 van de Grondwet: ‘Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorgaande leden genoemde middelen (drukpers, radio, televisie) heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.’ De grens is dus duidelijk op het moment dat een andere wet is overtreden. De wetten die overtreden kunnen worden met betrekking tot de vrijheid van meningsuiting zijn artikel 261, 266, en 267 van het Wetboek van Strafrecht. Dit betreft dan alleen de wetten die te maken hebben met beledigen. Artikel 261 gaat over ‘smaad’, dus het ‘opzettelijk iemands eer of goede naam aantasten’. Wanneer er geen sprake is van smaad dan kan er sprake zijn van een ‘eenvoudige belediging’ onder artikel 266. Naast beledigen in de private sfeer is er ook een wet tegen het opzettelijk beledigen van ambtenaren in functie, openbaar gezag, of een bevriend staatshoofd.

Discriminatie

De rechters hebben in hun oordeel de nadruk gelegd op de overtreding van een andere wet die de vrijheid van meningsuiting begrenst: de wet tegen discriminatie. Deze wet luidt: ‘Hij die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, opzettelijk beledigend uitlaat over een groep mensen wegens ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid, of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap.’

Legaliteit

De vorige alinea’s zijn we vooral langs de legalistische meetlat gegaan om te bepalen wat de grenzen zijn van de vrijheid van meningsuiting. Legalisme is echter geen moralisme, dus het geeft niet goed weer of diezelfde grenzen wel of niet wenselijk zijn in een maatschappij. De ambiguïteit van wat ‘beledigd zijn’ inhoudt, maakt deze wetten haast onhoudbaar.

Beledigd zijn is voornamelijk een keuze vanuit de persoon die zich een uitspraak wel of niet aantrekt. De waarde van een uitspraak wordt niet alleen bepaald door de persoon die het uitspreekt, maar ook door de persoon die de boodschap ontvangt. Dit brengt een aantal complicaties met zich mee.

  • Persoon A kan een opmerking bijvoorbeeld onschuldig bedoelen, maar persoon B kan een andere interpretatie of waarde geven aan diezelfde opmerking. Dit zorgt bij persoon B voor een gevoel van ‘beledigd zijn’ waar de andere persoon zich misschien helemaal niet bewust van is;
  • Persoon A kan een opmerking maken met het doel om te beledigen. Op het moment dat persoon B, waar de opmerking naar gericht is, ervoor kiest om helemaal geen waarde te hechten aan die uitspraak mist persoon A volledig zijn doel en verliest de uitspraak haar oorspronkelijk toebedeelde waarde.

Discriminatie en het aanzetten tot haat zijn an sich ook ambiguïteiten. De waarde van een uitspraak is subjectief ten overstaande van de mensen die het waarnemen. Discriminatie voor de ene persoon is een absurditeit voor de andere persoon. Hoe kan een wet goed gehandhaafd worden op het moment dat subjectiviteit hiervan de kern vormt? Dat terzijde is aanzetten tot haat niet meetbaar. Een persoon kan dus niet veroordeeld worden op ‘de mate die hij/zij tot haat aanzet’. Men kan stellen dat in deze ambigue gevallen de rechter tot een oordeel moet komen. De vraag is of het verstandig is om deze subjectiviteit te laten objectiveren door een rechter. Een persoon kan niet vanuit zijn of haar eigen menselijke subjectieve realiteit concretiseren of definiëren wat de mate is van het aanzetten tot haat in een uitspraak. Noch kan diezelfde persoon de subjectiviteit objectiveren in de mate waarop een opmerking ‘beledigend’ is.

De enige praktische grenzen die gehandhaafd kunnen worden (en ook moeten worden) zijn die van het oproepen tot geweld en het plegen van smaad. Weinig mensen zullen een oproep tot geweld interpreteren als iets anders dan een oproep tot geweld. De objectieve weergave van een oproep tot geweld of smaad valt veel beter vast te stellen dan bij de vorige wetten. De handhaving terzijde is een oproep tot geweld ook een oproep tot het schenden en beperken van iemands lichamelijke integriteit en soevereiniteit.

John Stuart Mill

Hiervoor hebben wij al de vraag gesteld of deze wetten wel wenselijk zijn in een samenleving. Hoort in een open vrije samenleving de vrijheid van meningsuiting niet juist onbeperkt te zijn? Hierover zijn veel discussies gevoerd de afgelopen jaren. Een persoon die een gefundeerde mening had over deze fundamentele vrijheid is de Engelse filosoof John Stuart Mill.

In zijn boek ‘On Liberty’ denkt Mill na over de rol van de samenleving tegenover de het individu. Hij stelt dat niet alleen de overheid macht uitoefent op individuen, maar ook de samenleving zelf. Binnen een samenleving ontstaat een algemeen geaccepteerd pakket van regels, normen, waarden, en ideeën. Dit pakket wordt door de meerderheid vastgehouden en opgelegd aan de individuen in de samenleving zodat men zich hieraan conformeert. De meerderheid oefent dus macht en druk uit op de individuen en minderheden in de samenleving om zich te conformeren aan de meerderheid. Dit kan gebeuren door intimidatie, veroordeling, ridiculiseren, of isoleren van de betreffende individuen. Dit noemt Mill de ‘tirannie van de meerderheid’. Hij stelt dat deze ‘tirannie’ een gevaar vormt voor het overleven van de maatschappij.

Deze druk vanuit de samenleving zorgt ervoor dat ideeën, visies, of uitspraken die niet sociaal geaccepteerd zijn aan banden kunnen worden gelegd door sociale druk, maar ook via de politiek.

‘’..when society is itself the tyrant – society collectively over the seperate individuals who compose it – its means of terrorizing are not restricted to the acts which it may do by the hands of its political functionaries. Society can and does execute its own mandate; and if it issues wrong mandates instead of right, or any mandates at all-in things with which it ought not to meddle, it practices a social tyranny more formidable than many kinds of political oppression, since, though not usually upheld by such extreme penalties, it leaves fewer means of escape, penetrating much more deeply into the details of life, and enslaving the soul itself.’’ – John Stuart Mill

Een toepasbaar voorbeeld uit onze samenleving voor de geldigheid van dit citaat is de staat waarin Geert Wilders het afgelopen decennium in heeft geleefd. Zijn ideeën en visies zijn niet sociaal geaccepteerd door de meerderheid en de elite die diezelfde meerderheid beïnvloedt. De PVV-leider wordt voor zijn visie bestraft met ridiculisering en isolatie. Geert Wilders moet constant bewaakt worden en zijn aanhangers worden weggezet als tokkies en domme mensen. De sociale druk wordt dus niet alleen op Wilders uitgeoefend, maar ook op de minderheid die op hem stemt. Deze groep mensen moet zich conformeren volgens de meerderheid. In het geval van Wilders en zijn aanhangers gebeurt dit door sociale isolatie en gebruik van het juridisch systeem om hen monddood te maken.

De democratie, die minderheden juist moet beschermen, wordt hierdoor ondermijnd door de maatschappij die individuen en minderheden straft voor ‘foute ideeën’. Beter gesteld, ideeën die buiten de sociaal geaccepteerde norm vallen.

‘’If all mankind minus one were of one opinion, mankind would be no more justified in silencing that one person than he, if he had the power, would be justified in silencing mankind.’’ – John Stuart Mill

Vrijheid van de politicus

De tegenstanders van Geert Wilders geven aan dat hij de wet overtreedt en dat politici niet de vrijheid moeten hebben om alles te kunnen zeggen wat ze willen. John Stuart Mill had ook hier een visie op. Wanneer de vrijheid van expressie beperkt wordt door de maatschappij of overheid, is het risico aanwezig dat deze componenten de ‘waarheid’ onderdrukken. In het verleden zijn er veel samenlevingen geweest die dachten de ultieme waarheid over het leven en de mensheid in pacht te hebben. Uiteindelijk zijn er vrije denkers van buiten de maatschappij geweest die problemen aankaartten en daardoor de publieke opinie beïnvloedden. Deze denkers werden in het algemeen eerst geïsoleerd door de maatschappij of zelfs vervolgd voor hun ideeën. Het onderdrukken van onorthodoxe mensen en hun visies is dus niet alleen van die tijd, maar ook van de huidige tijd. Men zou verwachten dat wij als samenleving al een stuk verder zouden zijn.

‘’..the opinion which it is attempted to suppress by authority may possibly be true. Those who desire to suppress it, of course, deny its truth; but they are not infallible. Yet it is as evident in itself, as any amount of argument can make it, that ages are no more infallible than individuals – every age having held many opinions which subsequent ages have deemed not only false but absurd; and it is as certain that many opinions now general will be rejected by future ages, as it is that many, once general, are rejected by the present’’ – John Stuart Mill

Afwijkende meningen zijn juist nodig om de bestaande ideeën in de maatschappij te testen. Dit zorgt ervoor dat meningen of ideeën aangepast kunnen worden en de sociaal geaccepteerde ‘waarheid’ werkelijk een stap dichter bij de ‘absolute waarheid’ kan komen. Het kan zelfs zo zijn dat de maatschappelijke visie geheel onderuit wordt gehaald en er een totale revisie moet zijn van de geaccepteerde ideeën in een samenleving. Dit is niet mogelijk op het moment dat afwijkende, onorthodoxe meningen niet worden toegestaan door de overheid of de maatschappij. Op het moment dat een set van ideeën en visies als ‘onaantastbaar’ en ‘absoluut waar’ wordt gezien, dan verliest het haar lading en waarde.

Politici hebben het platform om bestaande ideeën en visies te bekritiseren en alternatieven ertegenover te stellen. Daarnaast representeren politici een deel van de bevolking. Wanneer zij om welke reden dan ook de mond gesnoerd wordt, of er limieten worden gesteld aan hun vrijheid van expressie vormt dit een gevaar voor de stabiliteit van de samenleving. De emoties en ideeën van datzelfde deel van de bevolking worden hierdoor niet gerepresenteerd en geventileerd in het politieke bestel. Dit zorgt voor onderdrukking van een minderheid die op andere manieren geventileerd kunnen en zullen worden. Voorbeelden hiervan zijn vormen van geweld, revoluties, of openlijke discriminatie. De politicus is uiteindelijk niet alleen een criticus van de bestaande maatschappelijke en politieke realiteit, maar ook de ventilatie en representatie van een minderheid van de samenleving. Volgens Mill dient de vrijheid van expressie voor politici ongelimiteerd te zijn tot het punt van het oproepen tot geweld. Het limiteren of monddood maken van politici zorgt uiteindelijk niet voor het verdwijnen van gevoelens en ideeën bij de bevolking die anders wel op andere manieren naar buiten zullen komen. De vrijheid van de politicus zorgt voor de stabiliteit van de samenleving. Het ridiculiseren en limiteren van politici zorgt voor het tegenovergestelde.

  1. http://www.trouw.nl/tr/nl/39681/nbsp/article/detail/4417013/2016/11/17/OM-eist-boete-van-5000-euro-tegen-Wilders.dhtml

image sources

  • Stuart_Mill_G_F_Watts: tpaas

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *