Stembiljet

2017: verkiezingsjaar en electoraal herdenkingsjaar

In 2017 maken we niet alleen gebruik van ons kiesrecht, het is ook het jaar waarin het honderd jaar geleden is sinds het algemeen kiesrecht een plekje in de Grondwet kreeg. Honderd jaar waarin veel is veranderd. Aan welk politiek huzarenstukje hebben we het algemeen kiesrecht te danken en hoe heeft het zich in honderd jaar ontwikkeld?

Van censuskiesrecht naar algemeen kiesrecht

Het fenomeen kiesrecht is al ouder dan 1917. In 1848 werd bij de beroemde Grondwetswijziging onder Thorbecke de eerste stap gezet. Voortaan zouden de leden van de Tweede Kamer, Provinciale Staten en de gemeenteraad direct worden verkozen middels censuskiesrecht. Dit hield in dat je een bepaalde hoeveelheid belasting moest betalen om je kiesrecht te krijgen. Dit betekende dat zo’n tien tot twaalf procent van de mannelijke bevolking kiesrecht kreeg.

De verkiezingen verschilden onherkenbaar van de huidige situatie: er waren geen politieke partijen en ook geen kandidaten. Kiezers kregen het stembiljet thuisgestuurd en mochten daar iedereen opschrijven die ze wilden. Het hoefde niet eens door de kiezer zelf ingevuld of ingeleverd te worden en situaties van mensen die met stapels stembiljetten bij het stembureau aan kwamen zetten waren niet ongewoon. Ook doorstrepen en corrigeren was toegestaan. In de jaren 1860 deed zich een aantal constitutionele conflicten voor, waarbij in 1866 de koning probeerde zijn eigen zin door te drukken door een Koninklijke proclamatie met de stembiljetten mee te sturen. Hiermee probeerde hij de kiezers te stimuleren conservatieve kandidaten te kiezen.1 Het mocht niet baten: na de verkiezingen keerde de Kamer vrijwel ongewijzigd terug. Politici begonnen actief kiezers te mobiliseren en men begon zich steeds meer te organiseren in zogeheten kiesverenigingen. Kiesverenigingen waren voornamelijk actief op lokaal niveau: landelijke organisatie was vrijwel niet aanwezig. Uit deze verenigingen zou in 1879 de eerste Nederlandse politieke partij voortkomen: de Anti-Revolutionaire Partij.

In 1887 werd het kiesrecht verder opgerekt. De Grondwet werd hiervoor gewijzigd. Vanaf dat moment was het kiesrecht open voor mannen die bepaalde tekenen van geschiktheid en maatschappelijke welstand vertoonden.2 Bij de Kieswet mocht bepaald worden welke tekenen dit precies waren. Vanwege de rekbaarheid van deze begrippen werd het artikel ook wel het “caoutchouc-artikel” genoemd.3 Als gevolg hiervan nam het aantal kiesgerechtigde mannen in de periode tussen 1890 en 1917 toe van zo’n 14% tot bijna 70% van de bevolking. In sommige kiesdistricten kwam dit al bijna neer op algemeen mannenkiesrecht.4 Ook werd de kandidaatstelling ingevoerd. De positie van kiesverenigingen en partijen was al dusdanig sterk dat onafhankelijke kandidaten vrijwel kansloos werden. Ook werd het stemgeheim ingevoerd. Kiezers kregen hun stembiljet voortaan op het stembureau en moesten het in hun eentje in een hokje invullen. Verkiezingscampagnes bleven uit tot de laatste paar jaar van de negentiende eeuw, waarin partijen zich heel voorzichtig gingen wagen aan campagnes. Eerder was dit niet gebeurd omdat men vreesde voor conflicten en rellen onder kiezers. Het tegendeel bleek waar: de kiezers bleken verkiezingen vooral uiterst vermakelijk te vinden.

1917: politiek op hoog niveau

Gedurende vrijwel de hele negentiende eeuw  was er strijd tussen confessionelen en liberalen over de bekostiging van het bijzonder onderwijs. De confessionelen vonden dit erg belangrijk, maar de liberalen wilden het niet hebben. Jarenlang zat het debat over dit onderwerp muurvast. Toen aan het eind van de negentiende eeuw onder liberalen en sociaaldemocraten een wens ontstond om het kiesrecht uit te breiden zagen zij zich daarin vrijwel niet gesteund door de confessionelen.5 Vanaf 1887 gingen de confessionelen wel makkelijker mee in concessies, maar tot structurele hervormingen kwam het niet. Totdat de Eerste Wereldoorlog uitbrak. In Nederland ontstond schaarste en vrees dat de oorlog ook de Nederlandse grenzen over zou trekken. Ook de vrees voor revoluties bereikte de Nederlandse politiek. De nationale gedachte begon de nationale geschillen te overheersen en beide partijen bereikten een overeenkomst. Deze kwam neer op een uitruil van idealen: de confessionelen kregen financiële gelijkstelling van het bijzonder onderwijs en de liberalen kregen het algemeen kiesrecht.6 In mei 1917 ging de Eerste Kamer akkoord en werd de Tweede Kamer ontbonden ten behoeve van de tweede lezing. Deze leverde geen problemen op vanwege de afspraak tussen partijen dat er geen andere kandidaten gesteld zouden worden dan die in 1913 waren gekozen.7 De Grondwetswijziging was rond en daarmee ook het politieke huzarenstukje dat de geschiedenis in zou gaan als “de Pacificatie van 1917”.

Ontwikkelingen na 1917

De eerste verkiezingen onder het nieuwe stelsel vonden plaats op 3 juli 1918. Het algemeen kiesrecht kwam in de praktijk nog slechts neer op algemeen mannenkiesrecht. Vrouwen waren volgens de wet weliswaar niet uitgesloten van kiesrecht, maar in de praktijk mochten alleen mannen stemmen. De wijziging van 1917 bracht wel mee dat zowel mannen als vrouwen passief kiesrecht kregen, met als gevolg dat in 1918 de eerste vrouw in de Tweede Kamer werd verkozen.

1917 en 1918 waren roerige jaren in Europa. Niet alleen kwam de Eerste Wereldoorlog tot zijn eind, ook bloeiden her en der revolutionaire groeperingen op. Deze groeperingen legden in omringende landen in 1918 veel druk op de politiek om volwaardig vrouwenkiesrecht in te voeren. In september 1918 werd de initiatiefwet ingediend die in 1919 van kracht werd om ook in Nederland volwaardig vrouwenkiesrecht in te voeren. Zo werd in 1919, twee jaar na de invoering, de volledige ruimte van het algemeen kiesrecht benut. Ironisch genoeg hadden juist de confessionele partijen, die tegen de invoering van het vrouwenkiesrecht waren geweest, er baat bij: zij maakten een forse groei door. In 1922 kreeg het vrouwenkiesrecht een expliciete basis in de Grondwet.

Met de invoering van het algemeen kiesrecht werd ook een stemplicht ingevoerd. In de praktijk kwam dit neer op een opkomstplicht (een stemplicht is immers niet te controleren in verband met het stemgeheim). Op het niet nakomen van deze plicht stond een boete. In 1970 werd de opkomstplicht uiteindelijk afgeschaft.

Een andere interessante ontwikkeling is dat de stemgerechtigde leeftijd steeds verder daalt. Bij de invoering van het algemeen kiesrecht verwierf men het kiesrecht op 25-jarige leeftijd. Dit is tot 1946 zo geweest, waarna de leeftijd omlaag ging naar 23 jaar. In 1965 werd de leeftijd verder verlaagd naar 21 jaar, om uiteindelijk in 1972 op 18 jaar te worden vastgesteld. Dit is globaal gezien de gangbare leeftijd, er zijn op de hele wereld slechts twintig landen die hier van afwijken.8

Toekomst van het kiesstelsel

Sinds 1917 is het kiesstelsel in grote lijnen hetzelfde gebleven. Er zijn wel een aantal pogingen gedaan om het kiesstelsel aan te passen, maar geen van allen is gelukt. Zo is in 1968 gepoogd het kiesstelsel te hervormen tot een beperkt districtenstelsel met maximaal achttien districten. Dit in een poging om minder kleine partijen te krijgen. Ook diverse voorstellen met betrekking tot het verhogen van de kiesdrempel hebben het niet gehaald.9 In vergaderjaar 2004-2005 legde de minister voor Bestuurlijke Vernieuwing Thom de Graad (D66) een voorstel voor om een gecombineerd districtenstelsel en stelsel van evenredige vertegenwoordiging in te voeren. Dit voorstel om het kiesstelsel meer naar Duits model in te richten hield in dat kiezers twee stemmen zouden krijgen waarbij ééntje zou worden uitgebracht onder het districtenstelsel en de andere onder het stelsel van evenredige vertegenwoordiging. Het voorstel haalde geen meerderheid.

Met het mislukken van deze (en meer) pogingen tot wijziging zit de hervorming van 1917 nog stevig in het zadel. Aan de algemeenheid zal niet meer getornd worden, maar ook de vorm van het kiesstelsel heeft zich de afgelopen honderd jaar bestendig getoond. Om met prof. dr. Kummeling, voorzitter van de Kiesraad, te spreken: kennelijk zijn we er nog steeds tevreden mee.10

  1. R. de Jong, Diederick Slijkman: het geheim van de ministeriële verantwoordelijkheid. De verhouding tussen koning, kabinet, Kamer en kiezer, 1848-1905, Low Countries Historical Review, 2014/129-1, review 14.
  2. Art. 80 Grondwet 1887.
  3. Caoutchouc is een oude benaming voor rubber.
  4. Nederland zou tot 1917 een districtenstelsel houden.
  5. Enkele confessionelen gingen hier wel in mee: zij splitsten zich af van de ARP en richtten de Christelijk Historische Unie op.
  6. Met dezelfde grondwetswijziging werd de aanpassing van het kiesstelsel naar een stelsel van evenredige vertegenwoordiging doorgevoerd.
  7. Van den Berg en Vis, De eerste honderdvijftig jaar, p.554.
  8. 8 landen hebben de leeftijd lager liggen (met 16 als minimumleeftijd) en 12 landen zitten er boven, doch niet hoger dan 21 jaar.
  9. https://www.politiekcompendium.nl/id/vh4vajuv7vpe/vernieuwing_van_kiesstelsel_en_kiesrecht
  10. Kummeling deed deze uitspraak in de brochure over verkiezingen en kiesrecht van de Kiesraad uit 2009.

image sources

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *