Voltaire

Tolerantie en de Vrijheid van Meningsuiting

“In a time of deceit,

telling the truth is a revolutionary act.”

– George Orwell

Orwelliaans Era

Het zijn interessante ontwikkelingen die zich voltrekken op ons tijdsgewricht. Ze zijn ook lastig te vatten. Haast alles lijkt onderhevig aan een orwelliaanse omdraaiing. ‘Fake news’ blijkt steeds vaker ‘real news’ te zijn, terwijl ‘real news’ vaak een eenzijdige voorstelling van zaken biedt en ook een eigen politieke agenda erop nahoudt. Onder de banier van tolerantie worden ‘intolerante’ meningen verboden, terwijl het verbieden van meningen in zichzelf juist weer het summum van intolerantie is. ‘Links’ en ‘rechts’ zijn deflationaire termen in wier keurslijf de huidige politieke kwesties zich steeds minder laten vatten. De wereldvisie van de V.S., die de wereld binair in goed en kwaad opdeelt, lijkt steeds minder geloofwaardig. Het ‘goede’ Amerika versterkt zijn banden alsmaar met wahabitisch bolwerk Saudi-Arabië, en het ‘slechte’ Rusland lijkt successen te boeken tegen de IS, die weer veel overeenkomsten met deze verwerpelijke politiek-islamitische stroming vertoont. ‘Voor de Europese Unie’ betekent volgens sommigen juist ‘tegen Europa’, omdat diversiteit dit continent beschrijft en het Europese project de landen tot een monolitisch geheel zou smeden.

In dit kader wordt ook wel gesproken van een ‘post-truth’ tijdperk. Een tijd waarin waarheid niet meer bestaat en iedereen gelijk heeft, zoals het gros van de antropologen en de multiculturalisten ons al enig tijd proberen voor te houden.

Toch is dit een weinig bevredigend wereldbeeld voor zij die bezield zijn met wat Plato de wetenschappelijke geest zou noemen. Voor degenen die Hume volgen in dat kennis wellicht niet haalbaar is, maar wel benaderbaar. Voor wie gelooft dat als kennis niet haalbaar is, dat niet betekent dat er geen waarheid kan bestaan.

Want als iedereen gelijk heeft, heeft ook iedereen ongelijk.

Dat is geen vruchtbare basis om de wereld vanuit te benaderen. In de zoektocht naar moraal, zowel op staatkundig als persoonlijk vlak, hebben wij een broertje dood aan de tentakels van deze postmoderne paradoxen. Het is daarom tijd voor een herbezinning op de waarden van het Avondland, willen wij de culturele apocalypse van Spengler traineren.

Hier wil ik een van deze aspecten belichten, te weten tolerantie en hoe deze zich tot de vrijheid van meningsuiting verhoudt, tegen het decor van de toenemende invloed van de islam in Europa.

De erosie van tolerantie

Kort heb ik aangestipt dat het tolerantiebegrip van de een, tegenwoordig diametraal tegenover het tolerantiebegrip van de ander staat. De een staat tolerantie in Voltairiaanse zin voor. Aan de Franse verlichtingsfilosoof wordt de uitspraak toegeschreven: “ik ben het niet eens met wat je zegt, maar ik ben bereid mijn leven ervoor te geven dat je het mag zeggen”. Volgens dit oorspronkelijke tolerantiebegrip gaat het er nu juist om dat je een olifantenhuid ontwikkelt voor meningen waar je tegen bent. Tolerant zijn ten opzichte van iets waar je het reeds mee eens bent is immers zo tautologisch dat het een volstrekt betekenisloze exercitie is.

Hiertegenover staat de multiculturalistische opvatting van tolerantie. Deze gaat uit van ‘heilige identiteiten’, om met Machteld Zee te spreken: individuen voelen zich verbonden met een bepaalde groepsidentiteit, en het bekritiseren van die identiteit door buitenstaanders is een ontoelaatbare uiting van discriminatie, belediging, of zet zelfs aan tot haat of geweld.

De mensen die hier aanstoot aan nemen (of internationale lobbygroepen en NGO’s zoals de Ligue Islamique Mondiale, een in Saoedi-Arabië gevestigde organisatie die een van de eisende partijen was in het proces tegen de Franse schrijver Michel Houellebecq), maken dan ook graag gebruik van artikel 137 C en D van het Wetboek van Strafrecht, dat deze zaken strafbaar stelt (zie hierover meer in Paul Cliteur, Bardot, Fallaci, Houellebecq en Wilders). Het multiculturalistisch tolerantiebegrip is slachtofferdenken tot kunst verheven.

Het is echter evident dat deze laatste opvatting van tolerantie haaks staat op de vrijheid van meningsuiting. Als diversiteit van groepen belangrijker wordt geacht dan diversiteit van meningen, zullen weliswaar veel groepen welig tieren, maar ook de meeste idiote: omdat zij nooit bekritiseerd zijn door de geleidelijk aan verschrompelde en naar het museum verbannen dissidente meningen.

Het is daarom ook evident dat deze multiculturalistische opvatting van tolerantie het evolueren van ideeën obstrueert. De beste ideeën overleven door concurrentie met andere ideeën in de arena van het debat, niet in die van de rechtszaal of van meldpunten. Het verbieden van meningen enerzijds en beschermen van (religieuze) opvattingen of identiteiten anderzijds leidt ertoe dat opvattingen blijven bestaan die het equivalent zijn van de Chinese panda: misschien best schattig, maar niet in staat om zelfstandig en zonder kunstmatige hulp de gang der evolutie te overleven.

Het is naar mijn inzien dus tot slot evident dat het voltairiaans tolerantiebegrip de opvatting is waar wij ons als JOVD voor moeten uitspreken en dat in elk geval dit woord ‘not on our watch’ door het ‘post-truthism’ wordt geërodeerd.

Kafkaëske empirie: nut van de zwartgallige bril

Ik schrijf dit onder andere omdat ik – helaas – binnen onze gelederen ook al de opvatting ben tegen gekomen dat de grens van de vrijheid van meningsuiting bij belediging zou moeten liggen.

Ofschoon een dergelijk pleidooi vaak voortkomt uit zuivere bedoelingen, komt zij ook voort uit een naïeve en ultiem gevaarlijke voorstelling van zaken. Men begeeft zich namelijk op een glijdende schaal wanneer de vrijheid van meningsuiting zou moeten worden ingeperkt bij belediging. Belediging is uiterst subjectief en ‘beledigend’ kan daarom wel van elke uitspraak worden geprediceerd.

Belediging als begrenzend criterium komt dus in feite neer op de afschaffing van de vrijheid van meningsuiting. Het gevolg daarvan leidt op den duur tot een kafkaëske idiocratie waarin de nar de scepter zwaait.

En reken maar dat er zaken zijn die wij moeten kunnen bekritiseren zonder dat onze woorden bij voorbaat worden gesmoord door de lange-tenen-tamtam.

Om een paar zaken te noemen die wat mij betreft voor kritiek in aanmerking komen, valt te denken aan het ostentatief bidden midden op de straten van België en Londen, het belagen van journalisten in een geislamiseerde ‘no go zone’ in Malmö, het slaan van jonge vrouwen met korte rokjes in de bus omdat het ramadan is, het zichzelf opblazen in treinstations of op concerten tussen tienermeisjes in de ban van hun idool; het neerschieten van cartoonisten, terrasgangers, homo’s in Orlando, Joodse winkeliers, hotelgasten; de onthoofdingen, de fatwa’s die worden uitgesproken, de dodenlijsten waarop men almaar verschijnt wanneer hij zich kritisch uitlaat over Mohammed of de islam. Islamitisch onderwijs en de buitenlandse financiering van islamitische instellingen in Nederland.

Ook zou kritiek best nuttig kunnen zijn bij het kapot slaan van auto’s in Franse banlieues en de pittoreske Italiaanse steden, de rooftochten, de overvallen, de inbraken; het blokkeren van provinciale wegen met omgehakte bomen door vluchtelingen, die vervolgens met een man of honderd de chauffeur belagen; het verkrachten van jonge vrouwen in Zweden en Keulen.

Allemaal zaken waarvan de bronnen voor iedereen inzichtelijk zijn. Allemaal zaken die op de een of andere manier in verband staan met de islam of met de vluchtelingencrisis. Allemaal zaken die, tot mijn persoonlijke verbazing, ook als beledigend kunnen worden ervaren wanneer ze enkel worden benoemd. Als die connectie wordt benoemd – verder zonder kwalificatie – als simpel empirisch feit; zijn de aangiftes, meldingen en strafzaken van de lange tenen lobby niet heel ver meer. En toch is die er.

Ik zou ervoor willen pleiten dat wij deze zaken toch gewoon blijven benoemen, of iedereen ze nu leuk vindt of niet. Waarom? Omdat we daarmee recht doen aan de realiteit. We kunnen, bijvoorbeeld, nu eenmaal niet verwachten dat elke vluchteling die Europa binnenkomt een verlicht curriculum heeft doorlopen en moeiteloos integreert. Of dat elke moslim dezelfde set waarden onderschrijft als onze overwegend goddeloze bevolking. Daar kunnen zij ook niks aan doen, maar wij moeten wel dit gegeven kunnen benoemen zonder meteen  als racist of xenofoob bekend te staan. Die feiten hebben namelijk grote implicaties voor wat de optimale beleidsstrategie is om met deze politieke kwesties om te gaan.

Het kunnen benoemen van problemen is altijd de eerste stap tot de oplossing. Wanneer het benoemen van feiten of mogelijke oplossingen wordt verboden, past ons niets dan nog scherpere analyses te stellen en uit te spreken.

– Alexander de Bree

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *