Brood, spelen en referenda

Steeds vaker wordt het referendum gepresenteerd als dé oplossing voor politieke vraagstukken. In het Verenigd Koninkrijk moest het uitsluitsel geven over het EU-lidmaatschap. In Nederland zijn er sinds het eindrapport van Commissie Remkes stemmen die zich hardmaken voor het correctief bindend referendum. Politici die het referendum aanhangen kunnen zichzelf presenteren als de echte democraten. Tegenstanders lijken vooral een ongemak te voelen bij het onderwerp. Alsof ze het idee hebben gekregen dat ze vanuit hun ivoren torens de burgers het zwijgen op laten leggen. Maar dat gevoel is misplaatst, er zijn namelijk tal van redelijke argumenten tegen referenda.

Pleitbezorgers van het referendum zijn onder andere D66 en Forum voor Democratie. Al lijkt het standpunt van D66 niet geheel eenduidig te zijn. De partij stemde namelijk in met het afschaffen van het raadgevend referendum Tevens riep Jetten na een bezoek aan het VK op om het Nederlandse EU-lidmaatschap op te nemen in de grondwet. Dit zodat dergelijke scenario’s zich niet in ons land zouden kunnen voltrekken. Maar deze redenering lijkt de duiden op een programmeerfout. Als Jetten voor referenda is, waarom zou het Nederlandse volk dan een stemming over het EU-lidmaatschap moeten worden ontnomen?
Dit legt een probleem bloot dat bij meer politici speelt. Zij betogen het invoeren van referenda als ze denken daar politiek gewin uit te kunnen halen. Zo ook de belangrijkste opportunist van ons land: Zou Thierry het referendum nog steeds bepleiten als blijkt dat de bevolking niet uit de EU wil en wel klimaatmaatregelen wil treffen?

De VVD en het CDA zijn de voornaamste tegenstanders. Toch staat er op hun website een maar weinig onderbouwd standpunt. De VVD schrijft het volgende: ‘Wij zijn geen voorstander van referenda. Ze brengen complexe problemen terug tot een te simpele vraag.’ En het CDA schrijft: ‘Het CDA is nooit voorstander geweest van het houden van referenda. Het vergroot en verscherpt de tegenstellingen in de samenleving in plaats van dat het draagvlak voor een voorstel wordt vergroot.’ Voor beide argumenten valt wat te zeggen, maar toch ontbreekt het bij het tegen-kamp aan een sterk onderbouwd verhaal. En dat terwijl de tegenargumenten legio zijn.

Een nieuwe wet komt minimaal langs vier organen die een advies kunnen uitbrengen of de wet kunnen aanpassen. Al deze organen nemen ruim de tijd voor de analyse van het wetsvoorstel. Op deze manier is er gedurende het proces tijd voor bezinning, aanpassingen en gereguleerd debat. De kans dat er een wet wordt ingevoerd waarvan de gevolgen niet grondig zijn doordacht, neemt hierdoor beduidend af.

Bij een referendum ontbreken juist deze essentiële factoren. De betreffende kwestie wordt dikwijls in een ja-neevraag geformuleerd, waarbij er geen ruimte is voor aanpassingen. Daar komt bij dat het debat wordt overgelaten aan de media. Er is dan geen garantie dat alle standpunten en argumenten de stemgerechtigden ter ore komen. De uitkomst van zo’n referendum is dan ten minste betwijfel waardig. Als kiezers gestemd hebben zonder dat zij zich goed hebben ingelezen, dan is het mogelijk dat zij genoegen hebben genomen met een standpunt waar zij wellicht niet achter staan. Als zij namelijk meerdere argumenten in overweging hadden genomen, was hun mening misschien veranderd. Wat is hun uitgebrachte stem dan nog waard?

Een ander kritiek verschil betreft verantwoording. Verantwoording dwingt parlementariërs om hun politieke keuzes te kunnen uitleggen aan de burgers. Dogmatische besluiten worden op deze wijze moeilijker; politici zullen door de media om een redelijke verklaring worden gevraagd. Bij een referendum daarentegen wordt de burger door een gebrek aan transparantie en verantwoording nergens geforceerd om zijn standpunt te verdedigen. Zo wordt de rode loper uitgerold voor een irrationeel besluit.

De negentiende-eeuwse denker Alexis de Tocqueville waarschuwde er al voor: de tirannie van de meerderheid. Een referendum, wat een vorm van directe democratie is, maakt dit mogelijk. Dat wil zeggen dat het de meerderheid vrij staat om minderheden te onderdrukken. Een referendum is een optelsom van voornamelijk de wil van de burgers, terwijl een besluit in de Tweede Kamer een optelsom is van oordelen van parlementariërs. Het verschil tussen een wil en een oordeel is in een liberale democratie van existentieel belang. Een oordeel bevat namelijk een ethische overtuiging voortkomend uit een ideologie. Minderheden worden in een liberale democratie bijvoorbeeld niet uitgebuit, ook al zou er een democratische meerderheid mee instemmen. Zo zijn er tal van andere voorbeelden te bedenken waarin een besluit ten goede zou komen aan een meerderheid, maar moreel niet aanvaardbaar is. Bij een referendum zijn mensen geneigd hun stem uit te brengen op basis van hun eigen belang, terwijl volksvertegenwoordigers kwesties bekijken vanuit een ideologisch, en dus ethisch perspectief.

Al deze redelijke argumenten laten tegenstanders als de VVD en het CDA liggen. In plaats daarvan schuiven ze het onderwerp angstig onder het tapijt. Door deze houding kunnen figuren als Baudet zich ontpoppen tot de ‘ware democraat’, die niet bang is voor de stem van het volk. In plaats van het volk naar de mond te praten, dienen politici het voortouw te nemen in inhoudelijke debatten. Want leiderschap betekent het bepalen van je eigen koers, ook als deze niet populair is.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.