Too big to fail, deel 1: is dat vrijheid?

Je zou het niet zeggen, maar met zijn economisch beleid van Jimmy Carter is sinds de Tweede Wereldoorlog op dat gebied invloedrijker geweest dan welke Amerikaanse president dan ook. Hij heeft namelijk een enorme economische crisis veroorzaakt, 27 jaar na zijn aftreden als president. Onder Jimmy Carter is een nieuw economisch fenomeen ontstaan: too big to fail. De scheiding tussen bedrijf en staat vervaagde; individuele private ondernemingen konden vanaf 7 januari 1980 zo belangrijk zijn voor het land, dat de federale overheid voor hen garant zou staan.[1]

In West-Europa weet men dat de Verenigde Staten genoeg koek van economisch succes hebben gegeten om voor meer dan twee derden van de bevolking overgewicht te hebben.[2] Dat betekent dat veel economisch beleid vanuit de VS gauw naar Europa overwaait. Datzelfde is gebeurd met too big to fail (TBTF, verkort). Dat hebben we in 2008 aan den lijve ondervonden, toen ook Europese regeringen dit beleid toepasten, om zo noodlijdende banken overeind te houden. Links Nederland wilde graag zien dat de bankiers op de blaren moesten zitten, rechts Nederland was maar al te blij dat de banken bleven bestaan, maar wat zouden wij daar als liberalen nou van moeten vinden?

Sociaal-liberaal

Voor sociaal-liberalen is het in een economie belangrijk dat er (1.) een gelijk speelveld bestaat, dat er (2.) bepaalde middelen gewaarborgd zijn om ervoor te zorgen dat iedereen zich kan ontplooien en dat (3.) de overheid een sociaal vangnet verzorgt. Laten we bij het begin beginnen. Een gelijk speelveld betekent dat het niet uit moet maken of iemand rijk of arm opgroeit. Dat gelijke speelveld kan worden doorgetrokken naar de bedrijfseconomie, dan resulteert het concept in mededingingsrecht. Dat zijn zaken als het verbieden van monopolies, het oprichten van de Autoriteit Consument & Markt, maar ook het oprichten van semipublieke (of semiprivate, afhankelijk van je perspectief) bedrijven, om zo staatsmonopolies op te heffen. Dit betekent concreet dat er geen staatsbank komt, of in ieder geval geen bank die direct door de staat wordt bestuurd. Je zou kunnen concluderen dat TBTF niet zozeer sociaal-liberaal is.

Dat zou je ook niet kunnen concluderen. Als tweede principe noemde ik immers het waarborgen van fundamentele diensten. TBTF is bij uitstek een voorbeeld hiervan. Door banken, maar ook autofabrikanten (Chrysler, 1979/1980, de eerste TBTF-bailout in de geschiedenis) of verzekeraars (‘ASR’ werd in 2008 door de staat gered) van de ondergang te redden, worden belangrijke diensten, zoals betaalverkeer, personenvervoer of verzekeringen, behouden.

Het sociale vangnet van de overheid is het bekendst in de vorm van iets als de bijstand, maar waarom zou er alleen bijstand zijn voor mensen? Voor bedrijven is er ook een bijstand: bailouts. Dit laatste is natuurlijk een gewaagde argumentatie: wat nou als een faxwinkel in Steenwijk heden ten dage (2020) faxmachines wil blijven verkopen, maar om dreigt te vallen? Moeten we die winkel redden? Men zou snel zeggen: nee, dat moeten we niet doen. Wanneer kan er dan zoiets als bijstand voor bedrijven zijn? Het antwoord is heel simpel: als een bedrijf zo groot is, dat we het niet om kunnen laten vallen. Too big to fail is een typisch staaltje sociaal-liberale economie. Dat past ook wel bij het beeld dat we verder van Jimmy Carter hebben.

VVD-liberaal

VVD’ers zijn een uniek slag liberalen. VVD’ers zijn praktische mensen, wat rechtser dan de meeste andere liberalen, veel VVD’ers zijn ondernemer. VVD’ers zijn ook veelal mannen (>60%) en zijn – laten we wel wezen – ook niet heel etnisch divers. VVD’ers staan wel voor iedereen open en zoeken in conflicten een manier om ervoor te zorgen dat de winst voor beide partijen zo groot mogelijk is, opdat niemand er onterecht bekaaid vanaf komt. Binnen de VVD is staatssteun niet bepaald populair. VVD’ers houden er een ‘survival of the fittest’-theorie op na, als het op de markt aankomt. Toch is TBTF relatief populair binnen de partij. De grens ligt voor de VVD echter wel hoog. In een VVD-liberale economie worden alleen de grootste en belangrijkste bedrijven gered. Als de schade van het omvallen groter is dan de schade van het redden, wil de VVD-liberaal een bedrijf wel redden.

Klassiek-liberaal

De laatste categorie liberalen is de oudste, de nachtwakerstaatmensen, de mensen die vrijheid werkelijk bovenaan hun prioriteitenlijst hebben staan. Het libertarisme valt ook in deze categorie, als revivalstroming van het klassiek-liberalisme. Klassiek-liberalisme is binnen de wereld van de politieke ideologieën het toppunt van consequentie, ratio en eenduidigheid. Dat betekent ook dat deze liberalen in hun standpunten ‘arbitraire’ zaken vermijden. Als het op de economie aankomt, vinden klassiek-liberalen dat de overheid niet op de markt moet ingrijpen. De markt moet volledig vrij zijn. Ingrijpen kan kwaadschiks, door kartelvorming te verbieden, door de verkoop van alcohol aan banden te leggen. Ingrijpen kan ook goedschiks, een voorbeeld daarvan is natuurlijk too big to fail. Klassiek-liberalen zijn tegen overheidsingrijpen in de markt. Het maakt hen dan niet uit  of dat ingrijpen goedschiks of kwaadschiks is. Als een bank niet kan voortbestaan, valt hij om. Het zij zo.

Er is voor de klassiek-liberaal echter meer verbonden aan deze kwestie. Er zitten heel wat haken en ogen aan de TBTF-kwestie. In het volgende deel wordt een klassiek-liberaal perspectief op de bankencrisis van 2008 gegeven en wordt een antwoord gegeven op de grote vraag: wat vindt het klassiek-liberalisme van too big to fail?

[1] https://www.npr.org/templates/story/story.php?storyId=96922222&t=1585858321832

[2] https://www.niddk.nih.gov/health-information/health-statistics/overweight-obesity

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.