De eurozone, verenigd in te veel verscheidenheid?

Toen met het verdrag van Maastricht in 1992 de invoering van de euro werd beklonken, verzekerden economen en politici ons dat de munt convergerend zou werken, landen zouden door de euro naar elkaar groeien. Het toekomstbeeld van de Europese munt werd met mooie beloften belegd, maar de euro heeft zich toch iets minder florissant ontwikkeld dan men in 1992 gehoopt had. Zo blijkt één rentestand voor het ene land te hoog en voor het andere weer te laag. ‘Verenigd in verscheidenheid’, onder die slagzin werd de politieke munt ingevoerd, maar is de eurozone niet té verscheiden voor gezamenlijk monetair beleid?

Veel van de verschillen tussen lidstaten werden pijnlijk zichtbaar tijdens de bestrijding van de kredietcrisis en de daaropvolgende eurocrisis. Jeroen Dijsselbloem, des tijds voorzitter van de eurogroep en minister van Financiën, heeft in zijn boek ‘De Eurocrisis’ beschreven hoe de Griekse minister van Financiën Yanis Varoufakis totaal andere ideeën had over de manier om de Griekse staatsschuld houdbaar te houden. Varoufakis pleitte voor schuldafschrijving, maar Dijsselbloem juist voor noodleningen en strenge hervormingen. De twee belandden regelmatig in felle discussies. Nederland was één van de landen die een relatief lage staatsschuld had en hier was er de ruimte om te investeren en te hervormen. Zo trok het kabinet van Balkenende toen de crisis uitbrak zes miljard euro uit om de crisis te bestrijden. Niet alleen Griekenland, maar ook landen als Italië hadden het hier veel lastiger mee. Beleggers hadden minder vertrouwen in de Italiaanse overheidsfinanciën en de rente op staatsobligaties steeg waardoor het moeilijker was om geld te lenen. De hervormingen zijn daar uitgebleven, terwijl de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) heeft becijferd dat de economische groei een procentpunt hoger zou kunnen uitvallen bij een aantal structurele hervormingen. Logischerwijs staan mensen vaak huiverig tegenover hervormingen zoals loonsverlaging. Alvorens men namelijk een positief effect ervaart van zo’n maatregel, stroomt er nog heel wat water door de Rijn. De vijfsterrenbeweging is een partij in Italië die de kiezers beloofde om deze hervormingen niet in te voeren en de partij is nu de grootste in Italië. 

Hervormingen lijken echter wel te werken. Spanje wordt vaak vergeleken met Italië, maar Spanje heeft dit soort hervormingen wél doorgevoerd. Het land versoepelde de arbeidsmarkt met flexibele arbeidscontracten, versoepelde het ontslagrecht en liberaliseerde de economie door allerlei belemmeringen weg te halen. De jaren voor de coronacrisis ging het dan ook al beduidend de betere kant op in Spanje, zo schreef Het Financieele Dagblad in 2019. De onderstaande figuur laat de groeiverschillen zien tussen Spanje (lichtblauw), Italië (rood) en het gemiddelde in de Eurozone (donkerblauw). Chart, line chart

Description automatically generated

Het dilemma met nationale economische problemen is dat het ook heel moeilijk is om dat ‘Europees’ op te lossen. Frankrijk heeft bijvoorbeeld al jarenlang grote problemen met het pensioenstelsel. De kans lijkt mij erg klein dat een Europese minister van Financiën dit probleem wél op kan lossen. De kans dat landen strenge hervormingen en impopulaire maatregelen zullen accepteren die ook nog eens vanuit Brussel zijn opgelegd lijkt mij nog kleiner. 

Ook de coronacrisis treft elk land weer op haar eigen manier. Het toeval wil dat juist Italië zeer hard werd getroffen begin 2020. Het land voerde vervolgens één van de zwaarste lockdowns in van Europa, die zeer schadelijk was voor de economie. De Italiaanse economie is erg afhankelijk van toerisme, terwijl juist die sector een knauw kreeg in de crisis. De zuidelijke economieën werden harder getroffen in de crisis, zoals te zien is in de figuur;Chart, waterfall chart

Description automatically generated

Dit soort verschillen zouden zonder muntunie worden rechtgetrokken door de wisselkoers. De Italiaanse Lire of de Griekse Drachme zou devalueren ten opzichte van de D-mark. Zo wordt het land weer competitief en trekt het zich door de markt omhoog. De komst van de euro zette de zeis in die mogelijkheid. In plaats van devaluatie, werd er een coronaherstelfonds opgetuigd. Zuid was gebaat bij dit herstelfonds, omdat het door deze steun weer ruimte kreeg voor hervormingen. Het geld uit dit fonds ging dan ook naar digitalisering en vergroening, niet naar de zorg. Gezien het unieke karakter van de crisis gaf Nederland opeens wel steun voor ‘eurobonds’, gezamenlijke schuldenlast. Zonder de coronacrisis was dat (in ieder geval voorlopig) niet gebeurd.

Maar ook zonder crisis kan je de verschillen tussen de Europese landen niet over het hoofd zien. Inflatiecijfers verschillen bijvoorbeeld per land, maar hetzelfde geldt voor cijfers van de lopende rekeningen, werkloosheidscijfers, arbeidskosten en de staatschulden. Portugal noteerde in december 2021 2,8 procent inflatie op jaarbasis, terwijl Nederland in dezelfde periode 6,4 procent noteerde en Estland zelfs 12 procent; nogal een verschil. Maar beleid dat de ECB zou kunnen voeren om inflatie te kunnen bestrijden in het ene land, kan weer negatieve effecten hebben in een ander land. Effectief beleid uitstippelen voor zoveel verschillende landen is ontzettend moeilijk.

Dezelfde verschillen gaan op voor de werkloosheidscijfers; in Griekenland is nog altijd 15,4 procent van de beroepsbevolking werkloos, in Nederland 3,2 procent. De uurlonen in Europa vertonen hetzelfde scheve beeld. Denemarken heeft relatief hoge uurlonen met een gemiddelde van 27 euro per uur, daarna komt een groep landen (Nederland, Zweden, Duitsland, Frankrijk, etc.) met een uurloon dat rond de 15 euro schommelt. De lonen in de semi-perifere landen liggen echter beduidend lager; Litouwen, Letland en Slowakije hebben een gemiddeld loon van rond de 5 euro per uur, kinderen die in Nederland in de supermarkt werken krijgen nog meer betaald. De meeste semi-perifere landen hebben nu nog nationale munteenheden, maar vroeg of laat zullen ook zij de euro moeten invoeren.

Ook de staatschulden verschillen sterk van elkaar. Nederland is één van de landen die de overheidsfinanciën goed op orde heeft. Onze staatsschuld bedroeg in 2020 54,5 procent van het Bruto Binnenlands Product (BBP). Duitsland heeft, mede door de Wiedervereinigung van Oost en West, een iets hogere staatsschuld van 69,8 procent en zit dus boven de Europese begrotingsnorm van 60 procent die is vastgelegd in het Stabiliteits- en groeipact (SGP). Hoewel deze  begrotingsafspraken een zeer belangrijk onderwerp waren in het Verdrag van Maastricht in 1992, zien we dat deze afspraken massaal met voeten worden getreden. De staatsschuld van Frankrijk bedraagt 115,7 procent, Italië noteert 155,8 procent en Griekenland voert de lijst aan met een staatsschuld van maar liefst 205,6 procent. Onthoud dus dat landen volgens de Maastrichtnormen eigenlijk maximaal een staatsschuld van 60 procent van het BBP zouden mogen hebben. Elsevier kwam met de berekening dat een renteverhoging van één procentpunt de rentelast in Frankrijk op termijn met 39 miljard verhoogt. En dat terwijl de jaarlijkse rentelast voor Frankrijk al even groot is als de begroting voor justitie.

Het behoeft geen betoog dat dit soort grote verschillen tot problemen leiden. We voeren nu namelijk hetzelfde monetaire beleid voor een groep zeer verschillende landen. Omdat de landen met een zwakkere economische basis nu in een monetaire unie zitten met de sterke landen, zijn verschillen niet meer recht te trekken door middel van de wisselkoers, maar is een land aangewezen op interne devaluatie. Dit betekent dat de lonen en prijzen harder stijgen in de overschotlanden, waardoor de zwakkere landen aantrekkelijker worden. Het probleem is alleen dat de overschotlanden hier niet aan meewerken, aangezien dat een hogere inflatie betekent. Alle aanpassingslast komt zo terecht bij de zwakkere landen, maar het blijkt heel moeilijk voor die landen om productiviteit te verhogen of de lonen te verlagen. 

De muntunie is dus behept met het feit dat landen simpelweg te verschillend zijn voor zulke verregaande samenwerking. Hoewel er verschillende behoeftes zijn, zijn er nu gelijke rentepercentages en is het wisselkoersmechanisme verdwenen. Het wordt tijd dat we accepteren dat we verenigd zijn in een overvloed aan verscheidenheid en dat we na gaan denken over alternatieven.

Dit bericht delen....
Share on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Share on LinkedIn
Linkedin

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.